|
Sporen uit de tijd van de engdorpen Vanaf de middeleeuwen kwamen de engdorpen tot ontwikkeling. De mensen vestigden zich op de overgangen van de heuvelrug naar de lagere gebieden. Van daaruit oefenden ze grote invloed uit op het landschap; het droge bos veranderde in heidevelden, de natte moerassen en moerasbossen werden ontgonnen tot graslanden. Rondom de nederzettingen ontstonden de akkers (engen), die langzaam werden opgehoogd met de mest uit de potstallen.
In de loop der eeuwen nam de bevolkingsdruk toe, werden nederzettingen groter, namen bouwland en heide toe. De bouwlanden vroegen om grotere hoeveelheden mest, te leveren door grote kuddes schapen. Uiteindelijk was vrijwel de gehele heuvelrug in een heidevlakte omgevormd, die bovendien steeds meer uitgeput raakte. Hier en daar resteerde nog wat bos, in de vorm van eikenhakhout. Restanten van dit oud eikenhakhout, heideterreinen en enkgronden zijn te zien als sporen uit deze tijd.
Vanaf de 17e eeuw werd er langs de warme zuidhelling van de stuwwal tabak geteeld. Bij Elst en Amerongen zijn enkele tabaksschuren bewaard gebleven. Sporen uit de tijd van de herbebossing
|